Stichting PIV



PIV-deelnemers, bent u ingelogd op het
Kennisnet? U kunt dat hierboven zien.

  • Jurisprudentie

    Rb: proportionele aansprakelijkheid wel jegens benadeelde, niet jegens regresnemer; epilepsie voor 40% door mishandeling veroorzaakt

    Rechtbank Rotterdam | 27 augustus 2014 | ECLI:NL:RBROT:2014:7276 | C/10/131173 / HA ZA 99-2884

    Vaststelling causaal verband letsel en mishandeling in 1992. In 2011 is reeds vastgesteld dat geen causaal verband bestaat tussen psychiatrische klachten en ongeval. Over het causaal verband tussen de epilepsie en het ongeval heeft de neuroloog geantwoord dat hij het verband “denkbaar” acht, d.w.z. tussen de 40% en de 60%. De rechtbank ziet geen aanleiding om de omkeringsregel toe te passen, maar acht toepassing van het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid wel passend. Meegewogen wordt dat een specifieke norm ter voorkoming van letsel is geschonden en dat mishandeling een opzettelijke aantasting van het grondrecht van respect voor de lichamelijke integriteit inhoudt, die ruime toerekening rechtvaardigt. De rechtbank ziet in de gepaste terughoudendheid bij het gebruik van de proportionele aansprakelijkheid, aanleiding om aan te sluiten bij het laagste door de neuroloog genoemde percentage (40%) en oordeelt dat de epilepsie voor 40% door de mishandeling is veroorzaakt. 2. Regres door gemeente o.g.v. de VOA. De rechtbank oordeelt dat, vanwege de terughoudendheid waarmee proportionele aansprakelijkheid moet worden toegepast dat voor toepassing van proportionele aansprakelijkheid ten gunste van de gemeente geen ruimte is. 3. De rechtbank gelast deskundigenbericht door verzekeringsarts ten aanzien van beperkingen van benadeelde. Lees verder

  • Jurisprudentie

    Rb: smartengeld voor agenten strandrellen

    Rechtbank Rotterdam | 29 augustus 2014 | ECLI:NL:RBROT:2014:7217, ECLI:NL:RBROT:2014:7209, ECLI:NL:RBROT:2014:7220 | 1419335 CV EXPL 13-5974

    Groepsaansprakelijkheid. De Rechtbank Rotterdam heeft vorderingen van 24 politieagenten (grotendeels) toegewezen. De agenten vorderden smartengeld van 17 relschoppers die deel uitmaakten van een grote groep die hen tijdens rellen belaagde, wegens door doorstane doodsangst. Zes van de agenten vorderden elk nog een extra bedrag aan schadevergoeding vanwege een Post Traumatisch Stress Syndroom (PTSS) dat zij overhielden aan de gebeurtenissen tijdens de strandrellen. Ook die vordering is door de rechtbank toegewezen tot het bedrag van € 2100, dat de meeste agenten vorderden. Lees verder

  • Jurisprudentie

    Rb, deelgeschil: werkgever aansprakelijk voor uitglijden valkenier in vogelkooi

    Rechtbank Zeeland-West-Brabant | 18 augustus 2014 | ECLI:NL:RBZWB:2014:5966 | 3008384-OV-14-3167

    Valkenier, in dienst van evenementenbureau, verzorgt vogelshow in de Efteling; hij glijdt uit in volière door een combinatie van glad beton, nattigheid en vogelpoep en loopt letsel op. 1. Vast is komen te staan dat er geen risico-inventarisatie bestond, terwijl gesteld noch gebleken is dat is onderzocht of maatregelen getroffen moesten worden om het risico dat een werknemer door gladheid ten val komt tegen te gaan. Tevens staat vast dat de werknemers eigen schoenen droegen waarbij geen bepaalde schoensoort voorgeschreven was. Gelet hierop moet, nu het voorzienbare risico op uitglijden zich heeft gerealiseerd, geoordeeld worden dat de werkgever niet de maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs nodig waren om te voorkomen dat werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade leed. De werkgever is tekortgeschoten in de op haar ex art. 7:658 BW rustende zorgplicht. 2. Kosten deelgeschil: € 4168. Lees verder

  • Jurisprudentie

    Rb, deelgeschil: carrièreverloop, redelijke verwachting, 40% kans op andere functie gezien afname arbeidsplaatsen

    Rechtbank Rotterdam | 19 augustus 2014 | ECLI:NL:RBROT:2014:6616 | C-10-4477678- HA RK 14-265

    Bepaling hypothetisch carrièreverloop 41-jarige bedrijfsverpleegkundige. 1. De rechtbank stelt voorop dat aan het bewijs van de hypothetische situatie geen hoge eisen mogen worden gesteld. De rechtbank komt tot het oordeel dat zonder het ongeval een reële kans bestond dat benadeelde na het voltooien van zijn opleiding tot bedrijfsverpleegkundige een opleiding tot arbeidshygiënist zou hebben gevolgd en uiteindelijk een functie bij een arbodienst zou hebben gekregen. De rechtbank houdt rekening met de door de arbeidsdeskundige en de verzekeraar genoemde omstandigheid dat het aantal arbeidsplaatsen door onder andere de wijziging van de Arbowet de laatste jaren is sterk afgenomen. Op grond van die ontwikkelingen dient de kans op het verwerven van die functie beperkt te worden geacht. Gelet op deze onzekerheden acht de rechtbank het redelijk dat rekening wordt gehouden met een kans van 40% dat benadeelde in plaats van een eindfunctie als bedrijfsverpleegkundige een eindfunctie van arbeidshygiënist zou hebben verworven. 2. Kosten deelgeschil: € 6338,66; uurtarief € 235 redelijk. Lees verder

  • Jurisprudentie

    Rb, deelgeschil: Spaans recht van toepassing; deelgeschil niet geschikt om debat te voeren over omvang schade

    Rechtbank Oost-Brabant | 08 augustus 2014 | ECLI:NL:RBOBR:2014:5047 | C/01/276098 / EX RK 14-108

    Ongeval in Spanje tussen Nederlandse en Belgische camper. De rechtbank acht de zaak geschikt voor deelgeschil, ook al zijn er meerdere geschilpunten. De rechtbank oordeelt dat het toepasselijke recht moet niet worden bepaald aan de hand van de Rome II-Verordening, maar aan de hand van het Haags Verkeersongevallenverdrag van 4 mei 1971. De rechtbank oordeelt dat Spaans van toepassing is. Door verzekeraar is gesteld in Spanje een tarifair systeem wordt gehanteerd: de Baremo. Verzoekster heeft nagelaten te onderbouwen dat haar naar Spaans recht mogelijk nog een hoger bedrag aan schadevergoeding toekomt. De aard van de deelgeschilprocedure verzet zich ertegen om hierover alsnog een volwaardig debat te voeren. Het is niet uitgesloten dat het noodzakelijk zal blijken te zijn om het Internationaal Juridisch Instituut in te schakelen voor advies. Dergelijke stappen zullen in een bodemprocedure moeten worden gezet. Kosten deelgeschil: € 3736,50. Lees verder

  • Jurisprudentie

    Rb: geen shockschade wegens ontbreken van affectieve relatie

    Rechtbank Rotterdam | 13 augustus 2014 | ECLI:NL:RBROT:2014:6672 | C/10/442266/HA ZA 14-71

    Eiser vordert vergoeding van shockschade. Hij is getuige geweest van de opzettelijke aanrijding van een kennis, die daarbij oog- en beenletsel heeft opgelopen. Aanvankelijk bewoog de kennis niet en hij zat onder het bloed. De rechtbank oordeelt dat niet is voldaan aan de voorwaarden die de Hoge Raad stelt in het Kindertaxi-arrest, in het bijzonder de aard van de relatie tussen eiser en de kennis en de ernst van het ongeval. De kennis kwam één of twee keer per week bij hem over de vloer. Daarmee behoort eiser niet tot de kring van gerechtigden. Daarvoor is naar het oordeel van de rechtbank, zeer bijzondere omstandigheden daargelaten, een nauwere relatie vereist dan het zijn van (goede) kennissen. De rechtbank stelt vast dat de feiten minder schokkend zijn dan in het Kindertaxi-arrest. Dit brengt, in onderling verband bezien, mee dat de vordering moet worden afgewezen. Lees verder

  • Jurisprudentie

    College voor de Rechten van de Mens: Verzekeraar discrimineert vrouw bij de vaststelling letselschadevergoeding

    Overig | College vd Rechten vd Mens | 19 augustus 2014 | 2014-97

    Het College voor de Rechten van de Mens in Utrecht oordeelt dat de WAM-verzekeraar een vrouw discrimineert op grond van geslacht bij de vaststelling van de hoogte van de letselschadevergoeding. Het College vindt het niet aannemelijk dat de verzekeraar de uitgangspunten voor de berekening van de schade, namelijk dat de vrouw van haar 27e tot en met haar 36e jaar niet zal werken en daarna 50%, ook toepast op een man. De verzekeraar heeft ter onderbouwing van zijn uitgangspunten onder meer verwezen naar twee onderzoeken die betrekking hebben op de arbeidsdeelname van uitsluitend vrouwen. Op grond hiervan kan worden vermoed dat de verzekeraar jegens de vrouw direct onderscheid op grond van geslacht maakt, zo oordeelt het College. Lees verder

  • Jurisprudentie

    Hof: werkgever niet aansprakelijk voor val over konijn; behoorlijke verzekering

    Hof Den Bosch | 12 augustus 2014 | ECLI:NL:GHSHE:2014:2768 | HD 200.133.392_01

    Werkneemster (schoonmaakster) is met dienstfiets op het terrein van de inlenende werkgever tegen een konijn aangereden, waardoor zij gevallen is en letsel heeft opgelopen. 1. Het hof acht de werkgever als inlener en het schoonmaakbedrijf als werkgever niet aansprakelijk ex art. 7:658 BW. De enkele kans dat een loslopend konijn of haas betrokken raakt bij (en de oorzaak is van) een ongeval acht het hof zodanig gering, dat in redelijkheid niet van de werkgever behoefde te worden verlangd voorzorgsmaatregelen te nemen om dit geringe gevaar en risico te beperken. 2. Art. 7:611 BW. Het hof overweegt dat de plicht van de werkgever om een behoorlijke verzekering te sluiten ook geldt ten aanzien van ongevallen op het eigen terrein. Werknemer heeft onvoldoende onderbouwd waarom de door de werkgever afgesloten ongevallenverzekering geen adequate verzekering was. Lees verder

  • Jurisprudentie

    Rb, deelgeschil: feiten omtrent gymongeval staan niet vast, zaak niet geschikt voor deelgeschilprocedure

    Rechtbank Den Haag | 18 juli 2014 | ECLI:NL:RBDHA:2014:9931 | C-09-463184- HA RK 14-164

    11-jarige jongen komt bij klimoefening tijdens de gymles ten val en loopt armletsel op. Is school aansprakelijk? De rechtbank oordeelt dat het enkele feit dat geen onderhandelingen hebben plaatsgevonden onvoldoende is voor het oordeel dat het geschil niet geschikt is voor een deelgeschilprocedure. Echter, de rechtbank oordeelt dat de zaak zich niet leent voor een deelgeschilprocedure, omdat de relevante feiten niet vast staan. Partijen verschillen o.a. van mening over de vraag op welke wijze de klimoefening door de jongen werd uitgevoerd en of de leraar instructies en/of waarschuwingen had gegeven. Kosten deelgeschil begroot op € 2.758,80. Lees verder

  • Jurisprudentie

    Hof: sportschool als werkgever aansprakelijk voor val stagiair bij begeleiding hulpbehoevende cliënt

    Hof Arnhem-Leeuwarden | 08 juli 2014 | ECLI:NL:GHARL:2014:5487 | 200.135.793

    Benadeelde, stagiair op sportschool, begeleidt cliënt van de sauna naar de doucheruimte. De cliënt heeft een afwijkende motoriek, waardoor hij begeleiding behoefde; de cliënt hij is ten val gekomen, en op benadeelde terecht gekomen. Het hof acht benadeelde geslaagd in het bewijs dat hij schade in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden. Dat geldt óók indien de sportinstructeur aan benadeelde geen opdracht heeft gegeven om de cliënt te begeleiden, maar dat hij dit eigener beweging heeft gedaan. Het hof acht de werkgever tekortgeschoten in haar zorgplicht van art. 7:658 lid 1. Vast staat dat de cliënt begeleiding nodig had. Werkgever heeft niet gesteld dat zij aan de stagiairs, de instructie heeft verstrekt om de begeleiding van de cliënt aan anderen over te laten en dat zij op de naleving van een dergelijke instructie heeft toegezien. Lees verder

  • Jurisprudentie

    Hof: algemene statistische gegevens niet doorslaggevend, hoger smartengeld vanwege kritiek in literatuur, huishoudelijke hulp tot 75 jaar, BGK

    Hof Leeuwarden | 05 augustus 2014 | ECLI:NL:GHARL:2014:6223 | 200.025.450/01

    Visusverlies rechteroog na medische fout; zicht linkeroog was reeds beperkt (0,3). 1. Verlies arbeidsvermogen verpleegkundige. Uitgaan van fulltime of parttime werk bij alleenstaande vrouw met autistisch kind? Het hof stelt voorop dat statistische gegevens over een breed samengestelde groep – zoals groep alleenstaande moeders - niet doorslaggevend zijn; de specifieke situatie dient het uitgangspunt te vormen. Het hof acht het, alles afwegend, juist om rekening te houden met een dienstverband van 60% tot middelbare schoolleeftijd zoon en daarna 80%. 2. Smartengeld: € 60.000. Het hof acht de breed gedragen kritiek dat de toegekende smartengeldbedragen geen recht meer doen aan de (gewijzigde) maatschappelijke opvattingen terecht en begrijpelijk. Het ligt dan ook in de rede dat in de toekomst hogere smartengeldbedragen zullen worden vastgesteld. 3. Huishoudelijke hulp. Het enkele feit dat benadeelde niet heeft betaald voor de haar door derden geboden hulp, betekent niet dat zij geen schade heeft geleden. 4. Eindleeftijd huishoudelijke hulp en zelfwerkzaamheid. Het is het hof bekend dat in de praktijk vaak wordt uitgegaan van een eindleeftijd van 70 jaar. Vanwege de ontwikkeling dat ouderen tot op hogere leeftijd in staat worden geacht zelfredzaam te zijn in combinatie met de fors toegenomen levensverwachting acht het hof het een eindleeftijd van 75 jaar een redelijk uitgangspunt. 5. BGK: 100% BGK toegewezen bij proportionele aansprakelijkheid van 60%. Lees verder

  • Jurisprudentie

    Rb: ruitersportcentrum niet aansprakelijk voor val van paard, gebruik in uitoefening van bedrijf niet bewezen

    Rechtbank Zeeland-West-Brabant | 09 juli 2014 | ECLI:NL:RBZWB:2014:4642 | CIV_81421

    Aansprakelijkheid ruitersportcentrum voor val van paard? Bij eerder tussenvonnis heeft de rechtbank benadeelde opgedragen te bewijzen dat paard waarop zij reed door het ruitersportcentrum werd gebruikt in de uitoefening van haar bedrijf en dat het paard is gestruikeld, waardoor benadeelde is gevallen. De rechtbank oordeelt dat benadeelde met de door haar naar voren gebrachte getuigen niet geslaagd is in het bewijs dat het paard werd gebruikt in de uitoefening van het bedrijf. Lees verder

  • Jurisprudentie

    Rb: KLM niet aansprakelijk voor shock passagier met notenallergie na eten couscous

    Rechtbank Amsterdam | 30 juli 2014 | ECLI:NL:RBAMS:2014:4230 | C/13/554413 / HA ZA 13-1739

    Passagier krijgt tijdens vlucht een anafylactische shock na het eten van een couscousgerecht. Hij had het cabinepersoneel gewaarschuwd dat hij allergisch was voor noten en schaaldieren. De rechtbank oordeelt dat de gebeurtenis niet kan worden aangemerkt als een ongeval in de zin van de op internationaal luchtverkeer toepasselijke verdragen van Warschau en Montreal . De rechtbank komt tot die conclusie, nadat zij heeft vastgesteld dat het gerecht geen noten of schaaldieren bevatte. Als het gerecht desondanks tot een allergische reactie heeft geleid, ligt het voor de hand dat de allergie van de passagier omvangrijker was dan hij zelf wist. Om die reden is de allergische reactie niet te kwalificeren als gebeurtenis die buiten de persoon van de passagier ligt, zoals vereist in de verdragen, maar als een louter interne reactie. De rechtbank acht de KLM niet aansprakelijk, ook niet ex art 6:162, 6:170 en 6:171 BW, omdat geen zorgvuldigheidsnorm is geschonden. Lees verder

  • Jurisprudentie

    Hof: WAM-verjaring na 3 jaar laat 5-jarige verjaringstermijn jegens veroorzaker onverlet, ook na doorstuiting WAM-verjaring

    Hof Amsterdam | 15 juli 2014 | ECLI:NL:GHAMS:2014:3050 | 200.134.145/01

    Ongeval 1996. WAM-verjaring is gestuit door onderhandelingen met verzekeraar (art 10 lid 1 WAM) , totdat verzekeraar de onderhandelingen in 2004 heeft afgebroken. Niet ter discussie staat dat onderhandelingen met verzekeraar ook stuitende werking hebben richting aansprakelijke partij (doorstuiting). Verzekeraar en aansprakelijke partij stellen dat de nieuwe termijn die in 2004 voor de verjaring van de rechtsvordering tegen de aansprakelijke partij is gaan lopen drie jaar bedraagt, zoals art. 10 lid 5 WAM bepaalt. Het hof oordeelt echter dat de nieuwe verjaringstermijn vijf jaar is. Art. 10 lid 5 WAM gaat uitsluitend over de verhouding tussen de benadeelde en de verzekeraar. Noch art. 10 WAM, noch enige andere wettelijke bepaling biedt een aanknopingspunt voor de juistheid van de stelling dat de nieuwe termijn voor de verjaring van de vordering tegen de aansprakelijke persoon ging lopen drie jaar is en niet vijf jaar (ex art 3: 310 BW) wordt genoemd. Verjaring jegens aansprakelijke partij tijdig gestuit in 2009. Lees verder

  • Jurisprudentie

    Rb: terugloop boekingen zeiltochten ook door andere factoren dan mishandeling, geen omkeringsregel

    Rechtbank Zeeland-West-Brabant | 01 mei 2014 | ECLI:NL:RBZWB:2013:9287 | CIV_68876

    Benadeelde, vennoot bij boekingskantoor voor zeiltochten, heeft na mishandeling blijvende beperkingen door o.a. concentratiestoornissen en vergeetachtigheid. 1. Ter vaststelling van verlies aan verdiencapaciteit is deskundigenonderzoek door bedrijfseconoom uitgevoerd. Deze concludeert dat de ontwikkeling van dergelijke ondernemingen sterk is beïnvloed door het vertrek van een aantal schippers. Het is niet 100% waarschijnlijk dat benadeelde het vertrek van de schippers had kunnen voorkomen als hij geen letsel zou hebben opgelopen; ook andere factoren spelen een rol zoals de opkomst van internet, waardoor schippers zelf online boekingen konden regelen. De rechtbank maakt de bevindingen van de deskundige tot de hare; hieruit volgt dat benadeelde de terugloop van de boekingen vanaf 2007 ook in de situatie zonder mishandeling niet had kunnen worden voorkomen. 2. De rechtbank oordeelt dat dit geval zich niet voor toepassing van de omkeringsregel. Hieraan staat in de weg dat volgens de deskundige niet 100% waarschijnlijk is dat het vertrek van de schippers had kunnen worden voorkomen, wanneer hij. 3. Beroep op proportionele aansprakelijkheid afgewezen. De schadepost verlies van verdienvermogen wordt in haar geheel verworpen. Lees verder

Convenanten BGK